Het is heerlijk om 's ochtends de werkplaats binnen te lopen, fris binnenvallend licht, groene bomen, vogelgeluid. Ik heb meteen zin om aan het werk te gaan.
Elke morgen komt de oude stramme man zijn, met een lap overtrokken, kleine vogelkooi in de hand naar de binnentuin en hangt het aan een tak in de boom.
Elke dag een half uur les. Ik leer wat cement, slib, ijzer en steen, koper, goud en zilver in het Chinees is.
Ik leer te zeggen: dik, dun, lang, kort, wijd en smal.
We hebben gevochten als leeuwen om ons werk op de show van de International Ceramic Art fair 2013 te krijgen. Beeldje in Nederland in de koffer, en eenmaal in China naar een enorme hal gebracht.
Ik ben helemaal van slag. En een beetje somber. De kloof tussen oost en west valt niet te dichten. Om half twaalf ga ik naar het restaurant, lunchen met de directeur
Op bijna elke rotonde in de stad staat een enorm keramisch beeld, een rode vlam, een oven of een toorts, alles dik onder het stof. Het zijn thema's die Jingdezhen tot welvaart hebben gebracht De parken ziet er mooi aangelegd uit. Er is aandacht besteed aan de tuinen, perkjes en het wordt geveegd en schoongehouden. Hoewel... in de bosjes liggen overal plastic flessen en troep. Eens in de zoveel jaar zal er iets aan het onkruid gedaan worden, of toch niet. Tien jaar geleden is er een plan bedacht voor de openbare ruimte en dat is zichtbaar.
Achter de autowegen zijn parken waar brede paden meanderen van gebouw naar gebouw. Er zijn ontmoetingsplekjes zonder banken. Banken zijn nergens. Er is een waterpartij omringd door speelse stenen en moderne kunst. Ik kijk er met genoegen naar. Het oogt van dichtbij nogal aftands, want de natuurstenen bekleding laat los en het aanhangend mos zorgt voor een groene zweem. Er groeit een plant uit. Het is gedateerd, van zeker tien jaar geleden. Ik zie een kubus balanceren op een punt.
Om de hoek staat iets groots dat over de zee in boekvorm gaat. (blauwe golfjes, keramische tegels, schuin met een gat) Hier staan mooie natuurstenen halve bollen en daar een werkstuk van gedreven staalplaat (gepelde sinaasappel, gestileerd) waarvan de sokkel op instorten staat. Verdraaid, ik zie drie levensgrote bronzen herten staan! Het boegbeeld van de Universiteits-campus lijkt weggehaald uit Duitsland 1940 en gaat over Lebensraum; een zwevende vrouw (arisch gezicht) met een boek en een fakkel. Dát is pas stichtelijke kunst.
In Jingdezhen komen en gaan kunstenaars van allerlei nationaliteiten. Twee Japanners, drie Indiase vrouwen en een vrouw uit Pakistan. De laatste heeft, tien jaar geleden, haar gezin voor haar ogen vermoord zien worden. Dan heb je wel wat uit te drukken in klei. Ze is een gezellige bierdrinkende lachebek. Er zijn Australiërs, Canadezen en Nieuw Zeelanders. Er is Agnes Fries, een jonge Zweedse ontwerpster, die hier haar mokken en vazen produceert. Ze vertelt: "Ik geef heel precìes een opdracht aan mijn assistent en toch is alles fout uitgevoerd! Ik zeg:"Jullie zijn het Middenrijk, je weet toch wel wat het midden is!" Nu moet de hele ovenlading over ." Carola Zee (NL) woont de helft van het jaar hier om haar collectie voor dure beurzen in Parijs, New York en Beijing te produceren. Ze ziet er moe uit. Paul Mathieu (Ca.), daarentegen, is hier om wat met porselein te spelen.
Elke vrijdag geeft iemand een lezing over eigen werk. Zo was de oudere Japanse professor Makoto Komatsu dik anderhalf uur aan het woord. In de zeventiger jaren maakte hij al de porseleinen Papieren Zak. Daarna passeerden er deurknoppen, in elkaar geknoopte vazen en veel asbakken. Zijn lezing omspant vijfenveertig jaar werk. Zijn leerling (22) toont een compact oeuvre: mooie geometrische wandobjecten. Zijn werk lijkt van karton te zijn maar het is van klei.
In de studio staan Inge en Wil. Inge zwoegt op een lading zilverkleurige schalen, ze lijken op anemonen uit de diepzee. Wil heeft een laboratorium ingericht. Door te testen krijgt ze de wonderlijkste kleuren in glazuur. De lap stof over haar uitvindingen voorkomt niet dat iedereen er mee op de loop gaat. Bitter gelag.
Gisterenavond achterop een taxiscooter gezeten. Dat gaat zo: je gooit jezelf achterop de bagagedrager, pakt de man stevig beet bij zijn jasje en hop, daar ga je. Geen helm, ben je dol. Hijzelf heeft ook maar een petje op van niks. We scheuren door het verkeer, rakelings langs de bus, we haken bijna aan de spiegel van een andere taxi. Aangekomen bij het restaurant aan de rand van de stad betaal ik vijftig cent. Terug wordt lastig, geen taxi of bus. Lopen dan maar. Het verkeer rijdt langzaam in deze stad. Alles door mekaar, niemand kijkt op of om en aan de stoplichten wordt totaal geen aandacht geschonken. Oude opa's met een kind aan de hand steken stoïcijns door het rijdende verkeer heen de snelweg over. Een moeder met baby wil naar de andere kant van de weg nét als het licht op rood springt. Vrachtwagens stoppen niet voor haar, ze rijden om haar heen. Tegen de verkeersrichting in, aan de andere kant van de weg, rijden motorkarretjes. Doodnormaal. Fietsen en scooters, 's avonds zonder licht, doen dat ook. Gewoon, aan de foute kant van de rijbaan! In het stikkedonker schuin de straat oversteken, met je kleuter aan de hand die de andere kant uit wil. Blinden, kreupelen met een stok, zelfs rolstoelers worden de weg op geduwd nèt als het licht op rood springt. Het gebeurt hier allemaal.
Bij daglicht zie je de andere dag wat het allemaal vermag. De railing hangt schuin uit zn voegen want de bus hield geen koers. Misschien stak de grootmoeder van de chauffeur over?